Navigatie
· Home
· Hechting en baby
· Hechting en peuter
· Hechting en kleuter
· Hechting basisschoolkind
· Hechtingsprobleem
· Hechtingsstoornis
· Hechtingsdeskundigen
· Jeugdhulpverlening
· Landelijk clientenforum jeugdzorg
· Justitiele inrichtingen
· Residentiele instellingen
· Literatuur
· Artikelen
· Downloads
· Forum
· Web Links
· Diverse Foto's
· Zoeken
· Feed - Forum
· Feed - Nieuws
· Hechting en baby
· Hechting en peuter
· Hechting en kleuter
· Hechting basisschoolkind
· Hechtingsprobleem
· Hechtingsstoornis
· Hechtingsdeskundigen
· Jeugdhulpverlening
· Landelijk clientenforum jeugdzorg
· Justitiele inrichtingen
· Residentiele instellingen
· Literatuur
· Artikelen
· Downloads
· Forum
· Web Links
· Diverse Foto's
· Zoeken
· Feed - Forum
· Feed - Nieuws
Gebruikers Online
Forumonderwerpen
Nieuwste onderwerpen
· even voorstellen· Hechting bij volwass...
· Verlost van een erns...
· hechtingsprobleem of...
· ook even voorstellen
Actiefste onderwerpen
| · Beschuldigd van k... | [34] |
Laatste Artikelen
Inloggen
Shoutbox
U dient in te loggen om een bericht te plaatsen.
31. August 2010
het is met vallen en opstaan he bij ons toch
met onze zoon sam
met onze zoon sam24. August 2010
Komen hier nog meer volwassen mannen met HS? Ik wil wel een groep oprichten.
05. August 2010
hoi mede lot genoten ben nieuw hier en blij dat ik niet aleen tegen de muur van onbegrip sta
20. July 2010
beste mensen ne heel heel goede dag toegewenst groetjes regina xxxxxxx10. July 2010
terug van weg geweest xxxxxxxxx regina 

08. June 2010
zijn hier ook ouders met een jog kind met autisme waar schizofrenie bij geconstateerd is?
02. June 2010
Dag beste mensen,
Het gaat hier veel over kinderen en dat doet me goed. Het moet heerlijk zijn om ouders te hebben die werkelijk betrokken bij je zijn. Hoe meer liefde en betrokkenheid hoe beter,
Mo
12. May 2010
hallo allemaal
ik heb 2 kinderen van broer geerft.
de vader en moeder zijn allebei overleden .maar nu is er bij de oudste 14 het hechtingsstoornis geconstanteerd.
ze gaat na vele gesprekken en omw
10. May 2010
het weekend was kei goed heel positief dank u rain xxx
28. April 2010
manena hallo ik ken dat bij ons wij hebben 8j door een hel gegaan je kan me altijd berich sturen he
27. April 2010
hallo, wil iemand met mij ervaringen uitwisselen?? dank je groetjes manena
24. April 2010
hallo,ben moeder van 2 kinderen 14 en 17 de jongste met een reactieve hechtingsstoornis,
ben al bijna 6 jaar van het kastje naar de muur gestuurd instelling in instelling uit,we gaan nu voor de 14e ins
ben al bijna 6 jaar van het kastje naar de muur gestuurd instelling in instelling uit,we gaan nu voor de 14e ins
16. April 2010
voor iedereen sterkte gewenst wij weten wat het is regina 

16. April 2010
bloodymary veel sterkte van regina xxx 

06. April 2010
HELP!!
Ik ben een alleenstaande moeder van een zoontje van bijna 5 jaar. Onlangs is bij hem ODD geconstateerd en ik heb zelf trekken van Borderline!
Al vanaf de geboorte van mijn zoontje sta ik er
Hechtingsproblematiek casuïstiek
In het eerste fragment is Mark van 2,5 jaar te zien die voor het eerst op de behandelgroep komt. Hij heeft veel interesse in alle speelgoed dat er op de groep te vinden is en maakt geen oogcontact met de kinderen of de groepsleidster. Het lijkt hem niet te deren dat zijn moeder naar een andere ruimte verdwijnt voor een gesprek met de teamleider en als zijn moeder weggaat reageert hij met een vlakke gezichtsuitdrukking en zegt hij mompelend gedag.
In hetzelfde fragment is ook Eva te volgen die zich aan de begeleidser vastklampt en haar niet uit het oog wil verliezen. Zij komt zelf niet tot spelen, zij is voortdurend bezig om de begeleidster te volgen en kijkt angstig uit haar ogen als de begeleidster aanstalten maakt even weg te gaan. Als de begeleidster haar vertelt dat zij straks echt weer terug komt schopt Eva zelfs tegen de schenen van de begeleidster en ze laat zich niet troosten.
In het tweede videofragment is een groepsgesprek te zien van de kinderen op ‘de verrekijker'. Onlangs is er een groepje kinderen weggelopen en daar wordt over gepraat. Marvin zit er een beetje nonchalant bij en reageert niet als zijn naam door één van de kinderen wordt genoemd. Op een gegeven moment zegt hij: ‘Jullie zijn soms heel streng en soms mag ineens alles. Dat noemen ze behandeling, ja ja. Trouwens jullie wonen hier niet en gaan iedere keer toch weer weg, het is gewoon maar jullie werk en wat maakt het uit als wij weglopen, dan komen we op de telex en als we er dan na 2 weken nog niet zijn, komt er gewoon weer een ander kind hier, dus zo erg vinden jullie het heus niet.' Vervolgens loopt Marvin het gesprek uit en gaat naar het speelveld om fanatiek een bal tegen de schutting te trappen.
Beide fragmenten gaan over kinderen met hechtingsproblematiek. In dit werkstuk wil ik gaan kijken wat hechting is, hoe hechtingsproblemen ontstaan, wat signalen zijn van hechting en hoe je kinderen als Mark, Eva & Marvin moet begeleiden.
Definiëring van het probleem
De casus draait zoals gezegd om drie kinderen die signalen laten zien van hechtings-problematiek. De vraag die daaruit voortkomt is: Hoe je als hulpverlener op een groep een kind met hechtingsproblemen moet begeleiden, welke attitude de hulpverlener moet hebben tegenover het kind en zijn gezin en welke methodieken er zijn voor de begeleiding.
De leerdoelen
Om een antwoord te vinden op bovenstaande vragen zijn er een aantal deelvragen die ik wil behandelen:
Wat is hechtingsproblematiek?
wat is gezonde hechting?
Wat is er nodig om een kind te laten hechten?
Hoe ontstaan hechtingsproblemen, wat kan er mis gaan bij de hechting?
Wat zijn de signalen die bij hechtingsproblematiek horen?
Wat is er nodig om een kind te laten hechten dat niet gehecht is?
Hoe begeleid je een kind met hechtingsproblematiek als hulpverlener op de groep?
Welke methodieken zijn er voor de begeleiding?
Welke attitude is er voor de begeleiding van het kind?
Welke attitude is er nodig richting het gezin?
Stel dat ik in een situatie terecht kom op een groep met kinderen zoals Mark, Eva of Marvin hoe zou ik dat als hulpverlener aanpakken?
Tenslotte een gedicht over het thema hechting.
De uitwerking van de leerdoelen
Veilige hechting en hechtingsproblematiek
Veilige hechting
In het eerste levensjaar van een baby, is het totaal afhankelijk van zijn ouders. Om zijn behoeften te bevredigen, om eten, drinken, warmte en genegenheid te ontvangen, heeft het zijn omgeving nodig. De baby kan zichzelf nog niet voorzien van zijn levensbehoeften. Het proces van een baby dat langzamerhand steeds meer afhankelijk wordt van zijn ouders en aanhankelijker wordt, dat wordt het proces van hechting genoemd. Als het kind anderhalf jaar oud is start heel langzaam en gestaag een losmakingsproces, dat uiteindelijk zal uitmondden in zelfstandigheid. Het hechtingsproces ontstaat door een leerproces van de baby die vrijwel meteen begint: een baby heeft basale onlustgevoelens als honger en dorst, die altijd worden bevredigd in aanwezigheid van één opvoeder. Dit patroon wordt veelvuldig aangeboden, waardoor de baby uiteindelijk de opvoeder gaat associëren met het bevredigen van onlustgevoelens (klassieke conditionering). De aanwezigheid van de opvoeder wordt als prettig ervaren door de baby, ook al zonder de bevrediging van behoeften als honger en dorst. Dit betekent overigens niet dat een ouder zijn kind alléén basale levensbehoeften als voedsel en drinken hoeft te geven, voor een veilige hechting. Harlow heeft in een expiriment met apen bewezen dat voor een veilige hechting ook genegenheid nodig is. Baby-aapjes werden opgevoed door kunstapen. Eén kunstaap was gemaakt van ijzer en deze zorgde voor melk, een andere kunstaap was gemaakt van een zachte stof. Als het baby-aapje zich bedreigd voelde rende het naar de aap met de zachte stof voor bescherming. De zachte stof symboliseerde in het experimant het lichamelijk contact, de warmte. Het gaat dus niet om de kwantiteit van de relatie, maar de kwaliteit.[1]
Hechting per leeftijdsfase:
Een baby van 0-3 maanden zoekt de baby naar vervulling van zijn behoeften, maar hij doet dit niet selectief.
Na 3 maanden begint de baby voorkeur te krijgen voor bepaalde personen en zoekt het selectief naar behoeftebevrediging; in plaats van instinctief reageren op mensen in de omgeving, reageert het selectief op de aanwezigheid van bepaalde personen.
Vanaf 5/6 maanden gaat de baby zich bewust hechten aan bepaalde personen, vaak komt één persoon centraal te staan (exclusieve hechting). Voor een goede hechting is het belangrijk dat er niet te veel wisselingen zijn in de verzorging van het kind, maar dat bepaalde personen regelmatig aanwezig zijn en voor het kind zorgen. Aanwezigheid en verzorging alléén is niet genoeg, de verzorgers van het kind moeten adequaat reageren op de behoeften van het kind, alleen dan kan het kind leren vertrouwen op zijn omgeving.
Rond de 7/8 maanden zie je vaak dat kinderen eenkennig beginnen te worden. Dat komt doordat het kind zich bewust is geworden van zichzelf en de opvoeder. Het contact met de opvoeder verloopt voor het kind op een prettige manier, altijd hetzelfde. Contact met andere personen wekt angst op, doordat het verschilt met het contact van de opvoeder. Eenkennigheid blijft niet lang bestaan, doordat het kind vaker contact krijgt met andere mensen en leert begrijpen dat de wereld niet meer alleen uit zichzelf en de opvoeder bestaat, maar uit nog meer mensen. Ook krijgt het kind mogelijkheden om bijvoorbeeld naar de opvoeder toe te lopen of vragen te stellen (‘wie is dat?').
Vanaf 9 maanden begint het kind te leren dat mensen en dingen blijven bestaan, ook al ziet hij ze niet (object-permanentie). Het kind gaat zoeken naar speelgoed, of naar zijn opvoeder. In deze leeftijd zie je bij kinderen vaak scheidingsangst. Spelletjes als kiekeboe en verstoppertje helpen het kind het vertrouwen te krijgen dat belangrijke personen weer terug komen. Alleen een kind dat zich veilig voelt, durft de omgeving te onderzoeken en zichzelf te ontplooiien. Het kind zal de nabijheid van zijn opvoeder zoeken, op zoek naar veiligheid. Afhankelijk van de situatie zal hij een stukje bij de opvoeder vandaan gaan, het kind weet dat het altijd op de opvoeder terug kan vallen. Deze aanhankelijkheid van een kind helpt het kind om zichzelf te ontplooiien naar zelfstandigheid. Een kind kan ook aanhankelijk zijn vanuit een gevoel van onzekerheid en onveiligheid. Als ouders niet het vertrouwen hebben gegeven beschikbaar te zijn als dat nodig is, kan een kind juist in de buurt van de ouder willen blijven, omdat zich daarbuiten al helemaal niet veilig voelt. Het kind blijft op deze manier van zijn ouders afhankelijk.
De kritieke fase van hechting is rond de 10 maanden voorbij, hoewel de hechting nog wel blijft toenemen. Kinderen kunnen tot anderhalf, twee jaar oud bang zijn gescheiden te worden van personen aan wie ze gehecht zijn (sommige kinderen ook tot 4 jaar). Daarna gaat het kind leren dat het contact zoeken niet alleen voor zichzelf is, maar ook voor het plezier van de persoon aan wie het gehecht is. Langzaam begint een proces naar zelfstandigheid. [2]
Basisvertrouwen
Een veelgebruikt woord in het kader van hechting is basisvertrouwen. Dit hangt samen met de aanhankelijkheid van een kind aan zijn opvoeder. Zoals gezegd kan aanhankelijkheid vanuit een gevoel van veiligheid komen, maar ook vanuit een gevoel van onveiligheid. Aanhankelijkheid vanuit zekerheid, helpt de zelfstandigheid bevorderen. Het kind durft steeds verder bij zijn opvoeder vandaan te gaan en deze zelfs uit het oog te verliezen, al zal het steeds even komen kijken of hij er nog is. Het kind durft op onderzoek uit te gaan, voorwerpen of zelfs andere mensen te bekijken, aan te raken, of er iets tegen te zeggen. Dit kan het kind alleen doen op basis van vertrouwen, dat de opvoeder altijd beschikbaar is om op terug te vallen. Het kind zal ook regelmatig even bang worden van de nieuwe dingen die hij ontdekt en terugrennen naar de opvoeder. Belangrijk in de ontwikkeling van basisvertrouwen zijn de momenten waarop het kind iets doet dat de opvoeder niet goed vindt. Het kind is motorisch in staat dingen te doen, waar hij verstandelijk nog niet van beseft dat ze bijvoorbeeld gevaarlijk of vervelend zijn. Hij is zo zeker van zijn opvoeder dat hij risico's durft te nemen en zijn opvoeder boos durft te maken. Daardoor zal het kind ook bang zijn, zijn opvoeder kwijt te raken, doordat hij met zijn gedrag die boosheid heeft uitgelokt. Het kind zal bijvoorbeeld ‘snachts testen of zijn opvoeder hem niet in de steek gelaten heeft door te roepen of uit bed te komen.[3],[4]
Definitie basisvertrouwen: ‘dat het kind door ervaringen van onvoorwaardelijke zorg en genegenheid van zijn ouders, het lef houdt om op eigen houtje dingen te ondernemen, ook als dat betekent dat hij tegen hun wil ingaat, zonder dat hij bang is hun liefde kwijt te raken.' (overgenomen uit: L. Rooijendijk, A. Dijt, G.J. Wijers, ‘De mens in thema's - een thematische behandeling van de menselijke levensloop', 1995, Uitgeverij Nelissen B.V., Baarn, pag. 20)
Een fundamentele relatiestoornis
Een hechtingsstoornis, wordt ook wel een fundamentele relatiestoornis genoemd of het geen-bodem-syndroom. Er is iets mis in het fundament (de bodem) van het contact tussen opvoeder en kind. Het kind kent geen menselijke betrokkenheid met de wereld en het kind kent de wereld niet als thuis (veilige haven). In de verschillende leeftijdsfasen van een kind heeft het behoefte aan een antwoord; aandacht, aanraking, oog voor de wensen en behoeften van het kind, enz. Als dit antwoord achterwege blijft in de eerste levensmaanden van het kind, ervaart het geen aansluiting, geen veiligheid, waardoor er geen basisvertrouwen ontstaat. Basisveiligheid of basisvertrouwen is het fundament, de bodem, waarop de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling gestoeld is.
Ik wil nog kort aanstippen dat hierboven een primaire fundamentele relatiestoornis is omschreven. Het is bekend dat kinderen die primair goed gehecht zijn (aan hun opvoeders), ook in een later stadium toch nog een fundamentele relatiestoornis kunnen ontwikkelen. Dit wordt een secundaire relatiestoornis genoemd en kan veroorzaakt worden doordat het kind op verstandelijk of sociaal gebied geen aansluiting vindt. Het kind ervaart bijvoorbeeld geen uitdaging in het leren op school, of er worden juist te veel eisen gesteld. Of het kind ervaart sociaal geen aansluiting met leeftijdsgenootjes. Het kind voelt zich dan niet op zijn plek, voelt zich verloren. Als hier geen aandacht voor is, kan het veilig gehechte kind alsnog ‘ontwortelen'. Gevoelens van angst en wantrouwen nemen de overhand, waardoor het kind alsnog een fundamentele relatiestoornis krijgt.
Hoe ontstaat een fundamentele relatiestoornis?
Er zijn verschillende factoren die tot hechtingsproblemen kunnen leiden:
Het kind: moeders kunnen na de bevalling signaleren dat er met het kind ‘iets mis is'. Het kind reageert niet op aanraking van de moeder, lijkt zich zelfs van moeder af te keren, het kind lijkt geen plezier te beleven, enz. Terecht geven moeders dit aan bij de huisarts of op het consultatiebureau, want er kan immers iets lichamelijks aan de hand zijn. Een veel voorkomende oorzaak is dat het kind pijn heeft en het zich daardoor niet laat knuffelen. Bij een moeizame bevalling kan bijvoorbeeld door verwringing in de nekwervels het kind pijn hebben. De genen bepalen in belangrijke mate het karakter van een kind. Er zijn kinderen bij wie het in de aard ligt om zich niet thuis te voelen, maar ook kinderen die zich in de meest onveilige situaties nog steeds veilig en thuis blijven voelen. Als ouder is het belangrijk om op dergelijke karakternuances in te spelen, het ene kind zal meer behoefte aan genegenheid hebben dan het andere. Ook is het belangrijk te beseffen dat het kind dat zich niet snel thuis voelt, op latere leeftijd waarschijnlijk ook meer moeite heeft om aansluiting te vinden en als het volwassen is ook meer moeite moet doen om contact met anderen te maken.
De zwangerschap: Steeds meer wordt erkent dat de betrokkenheid van de moeder op de foetus veel invloed heeft op het welbevinden en de ontwikkeling van de foetus. Bij emotionele spanningen van de moeder of het plegen of ondergaan van fysiek/verbaal geweld, wordt de veiligheid en het welbevinden van de foetus ondermijnd en groeit de angst. Het ervaren van veiligheid is een voorwaarde voor een goede licamelijke en emotionele ontwikkeling van de ongeboren baby.
De ouders: In sommige omstandigheden hebben ouders moeite om begrip en aandacht voor hun kind op te brengen. Bij langdurige relatieproblemen, lichamelijke ziekte van één van de ouders, verslaving, depressie of andere psychische problemen, kan het de ouders verhinderen er voldoende voor hun kind te zijn. Ook ouders die zélf vroeger onvoldoende liefde en genegenheid hebben ontvangen, kunnen het moeilijk vinden hun eigen kind liefde en genegenheid te geven.
De omgeving: Tenslotte kan de veiligheid van het kind verstoord worden door bijvoorbeeld een schokkende gebeurtenis in het gezin, een tijdelijke scheiding van de ouders door ziekenhuisopname, overlijden, enz.[5]
Pleegkinderen, adoptiekinderen of stiefkinderen
Hechting bij kinderen die in hun eerste levensjaar van opvoeders veranderen is weer een heel ander verhaal. Zelfs als een baby direct na de bevalling naar een nieuwe opvoeder gaat, is het kind toch eerst van een ander geweest. Aan de ene kant is er bij de ouders een bepaalde mate van terughoudendheid en onzekerheid over het kind dat niet ‘eigen' is. Aan de andere kant is er voor het kind sprake van een andere geur, een andere stem, een andere sfeer en soms zelfs een ander klimaat. Problemen bij het hechtingsproces zijn dan bijna niet te voorkomen. [6]
Soorten onveilige hechting en hun ontstaan:
Vermijdend gehecht: Wanneer ouders afwijzend reageren op het zoeken van toenadering van hun kind, kan het kind uiteindelijk het contact met de ouders vermijden, om te voorkomen dat het weer afgewezen wordt. Het kind zoekt geen toenadering en heeft weinig vertrouwen in andere mensen. Het kind komt in een isolement. De ouders zijn vaak zakelijk en reageren afwijzend op lichamelijk contact.
Ambivalent/Afwerend gehecht: Sommige ouders reageren vanuit hun eigen behoeften op het kind. Zij spelen met het kind als het eigenlijk moet slapen en als het kind toenadering zoekt reageren ze niet. Kinderen van deze ouders hangen vaak erg aan de ouders uit angst, omdat ze niet goed weten hoe de ouder nu weer gaat reageren. Ze gedragen zich overdreven (irritant) afhankelijk om reactie van hun ouders uit te lokken.
Gedesoriënteerd gehecht: Tenslotte zijn er nog ouders die door bijvoorbeeld psychische stoornissen, onverwerkte rouw of traumatische ervaringen heel verschillende signalen uitzenden naar hun kind. De ouder is onvoorspelbaar, is de ene keer lief voor het kind, de andere keer negeert hij het kind en weer een andere keer is hij extreem streng. Kinderen met zulke ouders reageren heel verschillend; de ene keer sterk vastklampend, de andere keer sterk afwijzend.[7]
Signalen
Ieder kind heeft een ander karakter en ieder kind heeft een andere levensgeschiedenis. Ieder kind zal dus ook anders reageren als er sprake is van hechtingsproblemen. Daarnaast reageert een kind van 2 ook nog eens heel anders dan een kind van 12. Ik noem een aantal kenmerken die specifiek passen bij kinderen met hechtingsproblemen, deze deel ik in naar leeftijd.
Babyleeftijd
Het is bij baby's lastig te zeggen of er sprake is van hechtingsproblemen, omdat de kenmerken die bij hechtingsproblemen passen ook door bijvoorbeeld een lichamelijke of geestelijke ziekte veroorzaakt kunnen worden:
Onrustig gedrag
Ontevreden
Veel huilen
Niet geknuffeld willen worden
Moeder niet willen aankijken
Niet aan moeders borst willen drinken
Verstijven als het wordt opgepakt
Peuters
Peuters kunnen op heel verschillende manieren hun gevoel van onveiligheid ‘compenseren, toch is het altijd een manier om zichzelf staande te kunnen houden in een onveilige omgeving. Drie zelfhandhanvingspatronen voor peuters:
De actieve peuter: de peuter lijkt zich niet te interesseren in de opvoeders, het lijkt alsof hij alles alleen kan en doet dat ook, het kind luistert niet, het kind vertoont ontzettend vasthoudend gedrag, enz.
De passieve peuter: lijkt alsof ze altijd tevreden zijn, ook als ze langdurig alleen worden gelaten, kan zichzelf uren alleen vermaken, kind vraagt geen aandacht, doet nooit iets verkeerd, laat van alles met zich doen zonder dat er echt intiem contact lijkt te zijn, het kind lijkt gevoelloos te zijn, enz.
De zich vastklampende peuter: kind klampt zich vast aan de moeder, is bang alleen gelaten te worden, de peuter wil voortdurend op schoot, handje vasthouden, enz. (N.B. baby's en peuters zijn bijzonder slim en kunnen dit gedrag óók manipulatief gebruiken om de opvoeder voor zichzelf te winnen)
Kleuter en schoolkind
Als een kleuter of een schoolkind niet veilig gehecht zijn, betekent dat, dat zij belangrijke aansluiting op lichamelijk en emotioneel gebied hebben gemist. Het kind mist de basis voor een goede verstandelijke aansluiting en dus ondervind het kind bijna altijd problemen in de cognitieve ontwikkeling. Het kind heeft al zijn energie nodig om zichzelf te handhaven. Zeven zelfhandhanvingspatronen van kleuters en schoolkinderen (die overigens in combinatie met elkaar kunnen voorkomen):
Het drukke, ongedurige, chaotische kind: behoeften moeten direct bevredigd worden, hij kan zich niet aan afspraken houden, het kind ervaart vaak zelf dat het hulpeloos is in een wereld vol onbegrip voor zijn gedrag.Het agressieve kind: dit kind lijkt op bovengenoemd kind, maar het heeft meer doorzettingsvermogen. Het kind dat geen antwoord vond bij zijn opvoeders, daagt de wereld uit om antwoord te geven op zijn behoeften. Het ontbreken van een passend antwoord, geeft steeds meer wantrouwen en steeds meer agressie en haat. Hij schreeuwt: ‘ik heb niemand nodig', de daarachter liggende angst en onveiligheid zijn vaak moeilijk zichtbaar.Het in schijn aangepaste kind: Het kind doet zijn uiterste best om geaccepteerd te worden. Het kind heeft niets eigens, doet anderen na, is lief en volgzaam, maakt met iedereen contact, maar genegenheid en wezenlijk intiem contact ontbreken.Het kind met twee gezichten: Dit kind leeft in twee werelden, het is thuis een ‘in schijn aangepast kind', maar buitenshuis kan het zich niet beheersen en niet met gevoelens van boosheid en angst omgaan. Andersom kan ook: buitenshuis volgzaam en aangepast en binnenshuis onhanteerbaar en agressief. Het kind ervaart thuis geen veiligheid en probeert dat buitenshuis te vinden.Het kind met een dubbele bodem: Het kind is positief betrokken bij de wereld en gedraagt zich positief, maar zoekt primair en kleinkinderlijk de lichamelijke aanraking van mensen in de omgeving. Wanneer de omgeving hierop ingaat is het kind onverzadigbaar. Soms komt het met leeftijdsgenootjes tot seksuele activiteiten.Het kind dat het laat afweten: Het kind trekt zichzelf terug, ontkent pogingen tot contact uit de omgeving, ontkent zelfs de eigen behoeften. Het kind voelt zich alleen en waardeloos en gebruikt al haar energie om positieve input te ontkennen en zich terug te trekken in haar isolement.Het schijnbaar normale kind: Dit kind heeft vaak talloze intellectuele mogelijkheden, waardoor de emotionele/sociale ontwikkeling naar de achtergrond verschuiven. Het kind heeft verstandelijk de wereld in zijn greep, onder controle. Problemen en verschillen van mening worden met het verstand opgelost. Sociale aansluiting is soms lastig, maar met andere ‘intellectuele' kinderen kan het goed samen.[8]Wat is er nodig om een kind te laten hechten dat niet gehecht is?
Een kind dat hechtingsproblemen heeft kan de hechtingsperiode van zijn baby-, peuter- of kleutertijd niet nog een keer over doen. Er wordt heel verschillend gedacht over de mogelijkheden tot herstel bij kinderen met hechtingsproblemen. De ene zegt dat het kind in het gezin met de juiste hulp op latere leeftijd nog tot hechting kan komen, de ander zegt dat ouders moeten accepteren dat hun kind zich nooit meer aan hen zal hechten. Hieronder staan de methodieken die er in de hulpverlening gebruikt worden bij kinderen met hechtings-problemen.
Begeleiding van kinderen met hechtingsproblemen
Methodieken
Dhr. G de Lange heeft een methode ontwikkeld genaamd ‘terug naar het begin' (Boek: ‘relatiegestoorde kinderen' van dhr. G de Lange). Hij zegt dat kinderen tot negen jaar het meest gebaat zijn bij een soort inhaalslag; de ouders moeten opnieuw beginnen met het kind. Dit doen zij door het kind voortdurend naar zich toe te halen en letterlijk in hun armen te sluiten. Het kind zal zich daar in eerste instantie waarschijnlijk tegen verzetten, maar als het kind ontdekt dat de ouder letterlijk en figuurlijk niet loslaat, leert het langzaam het basisvertrouwen ontwikkelen en krijgt het meer vertrouwen in zichzelf en de mensen om hem heen. Deze methode is erg intensief voor ouders en is alleen te doen met ondersteuning van hulpverlening. Na negenjarige leeftijd is het voor kinderen met hechtingsproblemen nauwelijks meer mogelijk om terug te gaan naar deze ‘peuterachtige betrokkenheid' zegt dhr. de Lange en deze kinderen zijn gebaat bij een sociogroepsopvoedingswijze. De bedoeling is om de jongeren een positieve betrokkenheid op elkaar te laten ontwikkelen d.m.v. het doen van achtiviteiten met elkaar. Hierdoor zou een wij-gevoel gecreëerd worden, wat een gevoel van veiligheid en vertrouwen geeft. Dit geeft de jongeren een aanzet zich te leren gedragen volgens de groepsnormen, zij zullen elkaar gaan corrigeren. De begeleider fungeert hierbij als een soort scheidsrechter.[9]
Anniek Thoomes-Vreugdenhill, in het verleden werkzaam geweest in een residentieel jeugdhuis, maakt onderscheid tussen hechtingsgestoorde en relatiegestoorde kinderen. Bij hechtingsgestoorde kinderen is de beschadiging in de hechting in een heel vroeg stadium opgetreden. Relatiegestoorde kinderen zijn wel gehecht, maar zijn teleurgesteld in de hechting; in het eerste, tweede of derde levensjaar is er een verstoring opgetreden in de hechtingsrelatie. Op basis van deze kennis biedt Thoomes-Vreugdenhill (2005) ook twee vormen van therapie: differentiatietherapie voor hechtingsgestoorde kinderen en fasetherapie voor relatiegestoorde kinderen. Bij de differentiatietherapie gaat zij er vanuit dat bij een normale hechting er vanuit de geborgenheid van de ouders een gevoel van veiligheid ontstaat met grenzen en structuur. Deze veiligheid biedt ruimte voor differentiatie met de buitenwereld. In de therapie werkt zij andersom: zij leert het kind te differentiëren op allerlei gebieden (bijvoorbeeld smaken in de mond). Het vermogen tot differentiëren biedt het kind de veiligheid om zich te durven hechten. Bij de Fasetherapie gaat Thoomes-Vreugdenhill in op het gedrag dat kinderen laten zien: nabijheid wensen of juist nabijheid weren. Elke vorm van hechting die de kinderen in de loop van hun leven laten zien is van belang voor het aangaan van intieme relaties in de volwassenheid. Door drie á vier keer in de week gedurende 10 minuten terug te gaan naar de fase waarin de verstoring plaatsvond en in de loop der tijd de daarop volgende fasen alsnog te doorlopen, wordt er gebouwd naar de normale relatievorm voor de leeftijd waarin het kind zich bevindt.[10]
Bij Video interactie begeleiding gaat het erom de ouders bewust te maken van hun eigen gezichtsuitdrukking, houding, stemgeluid en handelen naar het kind toe. Het is niet de bedoeling de ouders nadrukkelijk te wijzen op hetgeen zij fout doen, maar het is des te meer een doel de ouders te laten zien op welke momenten zij hun kind op een juiste manier benaderen en wat het effect daarvan is op het gedrag van hun kind. De contactmomenten met het kind zijn immers de basis waarop het kind vertrouwen kan ontwikkelen en zich veilig genoeg voelt om zich te kunnen hechten. Over het algemeen zijn vijf video-opnames en de daarbij horende begeleidingsgesprekken met de ouders voldoende om de ouders adequaat te leren in te spelen op de behoeften van hun kind[11]
Geertje van Egmond spreekt van het geen-bodem-syndroom in haar boek ‘Bodemloosbestaan, problemen met adoptiekinderen' (2001, Uitg. Ambo/Anthos Amsterdam). De kenmerken die zij noemt zijn:
Er is geen bodem in het bestaan (geen affectieve banden in de allereerste levensfase)
Er is geen lijn in het leven, daardoor weinig gevoel voor tijd en ruimte, de wereld blijft ongestructureerd. Er ontstaan hierdoor vaak specifieke leerproblemen: geen of weinig getalbegrip, niet kunnen abstraheren, slecht woordbeeld, leerstof beklijft niet.
De gewetensontwikkeling is niet opgang gekomen.
Er is geen ik, daarnaast geen basaal vertrouwen in volwassenen, met als gevolg onvermogen en / of diepgewortelde angst om relaties aan te gaan.
Er is een sterke neiging tot het leggen van oppervlakkige, inwisselbare contacten. Hierdoor is de problematiek van het gezin voor anderen slecht invoelbaar. Die anderen, inclusief hulpverleners, ‘zien' niets of weinig.
Het kind vertoont survivors gedrag. Schijnaanpassing. Het probeert zich staande te houden door de wereld om zich heen voortdurend onder controle te houden. Het is geniaal in het observeren, taxeren en manipuleren van de mensen om zich heen. Het besteedt hieraan een groot deel van zijn energie, waardoor bijvoorbeeld leerprestaties en creativiteit achterblijven.
De intieme emotionele banden binnen het gezin worden als bedreigend ervaren. Het appèl van de gezinsleden op een vertrouwensrelatie is voor het kind slecht invoelbaar en verwarrend. Het geeft het kind soms ook een gevoel van anders-zijn, tekortschieten en eenzaamheid.
Het vroegste ervaren - misschien reeds voor de geboorte - van ‘ontkend', ‘niet gewenst', ‘afgewezen' en ‘weggedaan' te zijn, is onvoorstelbaar vernietigend. De basale pijn zoekt vaak een uitweg in vernietigingsdrang die zich richt tegen zichzelf (automutilatie), maar vaak ook tegen anderen (moeder). Andere bekende uitingen van agressie zijn fysiek geweld, uitingen van wreedheid jegens dieren, (dwangmatig) vreten, stelen, vernielen, slapeloosheid, provocerend seksueel gedrag en weglopen.
Meestal ziet men een onverzadigbare honger naar aandacht.
Bij zijn handelen gaat het kind meestal te werk volgens het lustprincipe, het heeft nauwelijks ‘remmen' en ‘drempels'.
Uitingen van het geen-bodem syndroom zijn niet of nauwelijks gebonden aan bepaalde landen van herkomst, leeftijd, huidkleur, culturele achtergrond, enz.
Het geen-bodem-syndroom is geen wetenschappelijke term. Het wordt veel gebruikt door ouder-verenigingen zoals ‘De Knoop'. De term doet suggereren dat het kind een bodemloos vat is waarin je kan blijven investeren, zonder dat je er ooit iets voor terug zal ontvangen. Er is dus ook geen therapie waarmee je ‘dat vat' kan dichten. De hulpverlening volgens Geertje van Egmond bestaat uit structuur en emotionele distantie. Het kind kan het hechtingsproces niet over doen en de ouders moeten leren om hun verwachtingen t.a.v. een wederkerige relatie met hun kind definitief los te laten. Een functionele relatie zonder emotionele lading is de enige manier om als ouder een band met het kind te behouden.[12]
Attitude als hulpverlener in de begeleiding van het kind en zijn ouders
Een belangrijk aandachtspunt als hulpverlener ligt hem in de omgang met de ouders. Het is een valkuil om de ouders als veroorzaker van de hechtingsproblematiek te bestempelen en te denken dat je als hulpverlener beter weet wat goed is voor het kind. Deze ouders voelen zich ook verantwoordelijk voor hun kind, zijn bezorgd om hun kind en betrokken bij hun kind. De ouders zijn hoe dan ook ervaringsdeskundigen en kunnen en willen meedenken in de behandeling van hun kind. Een intense betrokkenheid van de ouders bij de hulpverlening van hun kind is daarentegen een vereiste, omdat de band tussen ouders en het kind dikwijls beschadigd is. Als hulpverlener moet je daar niet tussenin gaan staan, dat geeft het kind de ruimte om de ouders tegen elkaar uit te spelen en zorgt voor meer en meer wederzijds onbegrip. Het contact tussen hulpverlening en de ouders moet dus getuigen van wederzijds respect, openheid en eerlijkheid om samenwerking mogelijk te maken.[13]
Als hulpverlener moet je er bewust van zijn dat het gewenst is dat het kind zich gaat hechten aan de ouders en/of leeftijdsgenootjes en dat het niet gewenst is dat het kind zich aan jou als hulpverlener gaat hechten. Jij als hulpverlener gaat weer weg en er komt weer iemand anders voor je in de plaats. Vooral bij wat oudere kinderen die misschien niet meer teruggaan naar hun ouders is het belangrijk om als dat mogelijk is te werken aan de relatie tussen de ouder en het kind.
Een band ontwikkelen met een kind met een hechtingsstoornis is dus niet de focus van de hulpverlener. Eerder is het belangrijk om het kind veiligheid te bieden en structuur. Als hulpverlener moet je dus grenzen aan kunnen geven, een duidelijk en gestructureerd dagprogramma. Binnen die kaders krijgt het kind de ruimte om zich te ontwikkelen, zich veilig te voelen en hopelijk ook te hechten aan belangrijke personen (bij kleine kinderen hun opvoeders en bij wat oudere kinderen de groepsgenootjes/vrienden).
De casus: Mark, Eva & Marvin
Drie heel verschillende kinderen komen er in de casus naar voren en dus drie heel verschillende manieren van omgang.
Voor Eva is het belangrijk dat de begeleidster duidelijk grenzen neerzet wanneer zij alleen moet spelen en wanneer zij aandacht krijgt. In de casus is te zien dat Eva zich heftig verzet als de begeleidster probeert weg te gaan, zij schopt zelfs tegen de begeleidster aan. Toch moet Eva leren dat zij op sommige momenten alleen gelaten wordt en ervaren dat de begeleidster/ouder altijd terug komt en op gezette tijden aandacht aan haar geeft. Dit kan zij alleen leren door een duidelijke structuur. In het begin kan de begeleidster bijvoorbeeld enkele minuten weggaan en dit langzaam opbouwen tot langere periodes.
Voor Mark is structuur ook belangrijk, maar is het ook belangrijk om op sommige momenten contact te maken. Als je als begeleidster iets vraagt is het belangrijk om zijn naam te noemen, te vragen of hij je aankijkt of naar je toe komt lopen en pas daarna je vraag stelt of je statement maakt. Verder is ook voor hem die structuur zo belangrijk: jij gaat nu deze video kijken totdat ik jou roep om wat te drinken. Door ervaren dat je als begeleider je aan de afspraken houdt en dat er ook daadwerkelijk gebeurd wat er is afgesproken of wat op het programma staat, creëer je een veilige omgeving voor Mark (en Eva). Dit is een basis waarop vertrouwen kan ontwikkelen.
Tenslotte Marvin. Marvin is ouder en al veel langer gewend om zich te gedragen zoals hij doet. Hij ontwijkt contact en zet zich af tegen contact. Dit gedrag is een patroon bij Marvin wat al jaren bestaat. Als hulpverlener moet je beseffen dat Marvin nooit geleerd heeft intiem contact te maken en door jarenlange negatieve ervaringen van hulpverleners die komen en gaan is dat patroon bevestigd. Het zal dus ook flink wat tijd kosten om Marvin positieve ervaringen te laten opdoen met het maken van contact en uiteindelijk een nieuw gedragspatroon aan te leren. Ik denk dat je van Marvin niet kan verwachten dat hij direct luistert naar de begeleiders. Marvin zegt ook dat de begeleiders toch niets om hem geven, toch weer weggaan, dat klopt ook bij de ervaringen die hij heeft opgedaan. Het is dus in eerste instantie (net als hiervoor) ook weer belangrijk om de focus van dat contact af te halen, en je als hulpverlener te richten op een gestructureerde, begrensde omgeving die hopelijk op den duur veiligheid voor Marvin gaat betekenen. Wél is het belangrijk om als hulpverlener de omgang met elkaar als groepsgenootjes te stimuleren; door het samen ondernemen van activiteiten kan er een wij-gevoel ontstaan; een belangrijke start bij het ontwikkelen van een onderlinge vertrouwensband. Bijvoorbeeld door in teamverband een spel te spelen of andere activiteiten waarin samenwerking centraal staat. Door samen successen te boeken, ontstaat er een band tussen de kinderen onderling.
Betekenis voor mijn handelen als sociaal pedagogisch hulpverlener
Belangrijk in de hulpverlening aan kinderen met een hechtingsstoornis is de verwachtingen die je hebt van het kind. Ik kan en mag niet verwachten dat het kind binnen korte termijn een vertrouwensband met mij als hulpverlener kan aangaan op de manier zoals andere kinderen dat misschien wel kunnen. Dat lijkt me best lastig omdat je uiteindelijk wél als doel hebt dat het kind zich kan hechten aan belangrijke personen in zijn omgeving. Maar omdat juist dáár enorm veel spanning en angst zit van het kind, is het belangrijk om mij als hulpverlener te richten op het kind een zo veilig mogelijke omgeving te bieden, waarin het zich kan ontwikkelen.
Iets anders wat me enorm lastig lijkt is het contact met de ouders. Als hulpverlener heb ik de belangrijke taak om de band tussen de ouders en het kind te versterken waar dat mogelijk is. Toch is daar waarschijnlijk in het verleden ook veel mis gegaan. Hoe kan ik de ouders bewust maken van hun eigen houding en handelen tegenover hun kind, zonder hen daarbij te beschuldigen of veroordelen? Zij kennen het kind immers al zolang! Video interactie begeleiding lijkt mij dan een prettige methode om op een positieve manier naar de ouders en het kind te kijken en langzaam een bewustwordingsproces bij de ouders te beginnen. Hieronder vertel ik nog wat over mijn mening van VIB en de andere therapiën die ik beschreven heb in dit werkstuk.
Mijn mening over de verschillende therapieën
Persoonlijk spreekt mij de video interactie begeleiding het meest aan, omdat deze heel veel aandacht geeft aan het herstellen van de relatie tussen de ouders en het kind. Helaas begrijp ik ook dat dat niet altijd mogelijk is door omstandigheden, of door de oudere leeftijd van het kind. De voorkeur gaat bij mij dan uit naar de differentiatietherapie en de fasetherapie. Zoals ik hierboven ook al beschreef bij het omgaan met de kinderen uit de casus, denk ik dat je inderdaad de voorwaarden voor hechting moet creëeren. Thoomes-Vreugdenhill heeft het over de kinderen leren differentiëren en de kinderen laten teruggaan naar de leeftijdsfase waarin het is mis gegaan. Hoe dat dan precies gaat blijft voor mij nog onduidelijk. Ikzelf denk dat het belangrijk is om de kinderen positieve ervaringen te laten opdoen met het exploreren van de wereld en inderdaad heel klein te beginnen, bij ervaringen die kinderen heel jong opdoen: ervaren van sensaties, smaken, enz. Op deze manier leren zij dat ervaringen opdoen leuk is en een prettig gevoel geeft en op die manier ontstaat een belangrijke basis voor vertrouwen in de omgeving. Daarbij wil ik benadrukken dat in mijn ogen de veelgenoemde structuur erg belangrijk is voor kinderen die in de basis angstig zijn en een onveilig gevoel hebben.
De andere therapiën vindt ik wat onnatuurlijk overkomen. Vooral de benaming geen-bodem-syndroom en de daarbij horende emotionele distantie die ouders moeten opbrengen tegenover hun kind vind ik erg onnatuurlijk, voor de ouders, maar ook voor het kind. Het kind leert dat het inderdaad niet van de ouders op aan kan en wordt daarin nog eens extra bevestigd.
Verder heb ik nagedacht over de therapie van G. de Lange, waarin de ouders hun kind moeten vasthouden in hun armen en liefdevol toespreken, hoewel het kind zich ertegen verzet. Ik ben erg nieuwschierig naar de resultaten van deze therapie, die mij erg intensief lijkt voor zowel de ouders als het kind. Een mooie gedachte dat het kind uiteindelijk leert dat de ouder hem niet meer zal loslaten en er een band kan ontstaan. Maar wat het bij de ouders losmaakt? Ik heb er een gedicht van gemaakt:
Gedicht van S. Postma
Ik wil je koesteren
Dicht bij me houden
Jij wilt ver bij mij vandaan
Ik houdt je stevig vast
En jij verzet je
Ik schreeuw het uit:
Wat heb ik jou misdaan?
Je schopt en slaat me
Je schreeuwt het uit
Mijn hart doet pijn
Ik houdt mijn woede binnen
Terwijl ik zachtjes spreek:
‘Ik heb je lief, mijn kind'
Ik wil jou moeder zijn!
Bronnenlijst
Boeken
L. Rooijendijk, A. Dijt, G.J. Wijers, ‘De mens in thema's - een thematische behandeling van de menselijke levensloop', 1995, Uitgeverij Nelissen B.V., Baarn.
J.D. van der Ploeg, ‘gedragsproblemen, ontwikkelingen en risico's', 2003, Uitgeverij: Lemniscaat b.v., Rotterdam.
Tijdschrift
D. Jacobs, ‘Hechting en hechtingsstoornissen', Tokk, jaargang 27, nummer 1, maart 2002.
Internet
www.opvoedingsadvies.nl/hechting.htm, 20-5-2006
http://klimop.penninga.com/, 20-5-2006
http://www.deknoop.org/documenten/opdracht.pdf, 20-5-2005
www.deknoop.org, 21-5-2006
http://www.deknoop.org/documenten/zoeken_naar_het_begin.pdf, 21-5-2006
www.basictrust.com, 21-5-2006
--------------------------------------------------------------------------------
[1] L. Rooijendijk, A. Dijt, G.J. Wijers, ‘De mens in thema's - een thematische behandeling van de menselijke levensloop', 1995, Uitgeverij Nelissen B.V., Baarn, pag. 17, 18
[2] www.opvoedingsadvies.nl/hechting.htm, 20-5-2006
[3] L. Rooijendijk, A. Dijt, G.J. Wijers, ‘De mens in thema's - een thematische behandeling van de menselijke levensloop', 1995, Uitgeverij Nelissen B.V., Baarn, pag. 19,20
[4] J.D. van der Ploeg, ‘gedragsproblemen, ontwikkelingen en risico's', 2003, Uitgeverij: Lemniscaat b.v., Rotterdam, pag. 257 en 305
[5] D. Jacobs, ‘Hechting en hechtingsstoornissen', Tokk, jaargang 27, nummer. 1, maart 2002, pag. 2-15
[6] http://klimop.penninga.com/, 20-5-2006
[7] http://www.opvoedadvies.nl/hechting.htm & http://www.deknoop.org/documenten/opdracht.pdf, 20-5-2006
[8] http://klimop.penninga.com/, 20-5-2006
[9] http://klimop.penninga.com/, 21-5-2006
[10] http://www.deknoop.org/documenten/zoeken_naar_het_begin.pdf, 21-5-2006
[11] www.basictrust.com, (bodemloos?? - artikel), 21-5-2006
[12] www.deknoop.org, http://www.deknoop.org/documenten/opdracht.pdf, www.basictrust.com, (bodemloos?? - artikel), 21-5-2006
[13] http://www.deknoop.org/documenten/opdracht.pdf, 21-5-2006
In hetzelfde fragment is ook Eva te volgen die zich aan de begeleidser vastklampt en haar niet uit het oog wil verliezen. Zij komt zelf niet tot spelen, zij is voortdurend bezig om de begeleidster te volgen en kijkt angstig uit haar ogen als de begeleidster aanstalten maakt even weg te gaan. Als de begeleidster haar vertelt dat zij straks echt weer terug komt schopt Eva zelfs tegen de schenen van de begeleidster en ze laat zich niet troosten.
In het tweede videofragment is een groepsgesprek te zien van de kinderen op ‘de verrekijker'. Onlangs is er een groepje kinderen weggelopen en daar wordt over gepraat. Marvin zit er een beetje nonchalant bij en reageert niet als zijn naam door één van de kinderen wordt genoemd. Op een gegeven moment zegt hij: ‘Jullie zijn soms heel streng en soms mag ineens alles. Dat noemen ze behandeling, ja ja. Trouwens jullie wonen hier niet en gaan iedere keer toch weer weg, het is gewoon maar jullie werk en wat maakt het uit als wij weglopen, dan komen we op de telex en als we er dan na 2 weken nog niet zijn, komt er gewoon weer een ander kind hier, dus zo erg vinden jullie het heus niet.' Vervolgens loopt Marvin het gesprek uit en gaat naar het speelveld om fanatiek een bal tegen de schutting te trappen.
Beide fragmenten gaan over kinderen met hechtingsproblematiek. In dit werkstuk wil ik gaan kijken wat hechting is, hoe hechtingsproblemen ontstaan, wat signalen zijn van hechting en hoe je kinderen als Mark, Eva & Marvin moet begeleiden.
Definiëring van het probleem
De casus draait zoals gezegd om drie kinderen die signalen laten zien van hechtings-problematiek. De vraag die daaruit voortkomt is: Hoe je als hulpverlener op een groep een kind met hechtingsproblemen moet begeleiden, welke attitude de hulpverlener moet hebben tegenover het kind en zijn gezin en welke methodieken er zijn voor de begeleiding.
De leerdoelen
Om een antwoord te vinden op bovenstaande vragen zijn er een aantal deelvragen die ik wil behandelen:
Wat is hechtingsproblematiek?
wat is gezonde hechting?
Wat is er nodig om een kind te laten hechten?
Hoe ontstaan hechtingsproblemen, wat kan er mis gaan bij de hechting?
Wat zijn de signalen die bij hechtingsproblematiek horen?
Wat is er nodig om een kind te laten hechten dat niet gehecht is?
Hoe begeleid je een kind met hechtingsproblematiek als hulpverlener op de groep?
Welke methodieken zijn er voor de begeleiding?
Welke attitude is er voor de begeleiding van het kind?
Welke attitude is er nodig richting het gezin?
Stel dat ik in een situatie terecht kom op een groep met kinderen zoals Mark, Eva of Marvin hoe zou ik dat als hulpverlener aanpakken?
Tenslotte een gedicht over het thema hechting.
De uitwerking van de leerdoelen
Veilige hechting en hechtingsproblematiek
Veilige hechting
In het eerste levensjaar van een baby, is het totaal afhankelijk van zijn ouders. Om zijn behoeften te bevredigen, om eten, drinken, warmte en genegenheid te ontvangen, heeft het zijn omgeving nodig. De baby kan zichzelf nog niet voorzien van zijn levensbehoeften. Het proces van een baby dat langzamerhand steeds meer afhankelijk wordt van zijn ouders en aanhankelijker wordt, dat wordt het proces van hechting genoemd. Als het kind anderhalf jaar oud is start heel langzaam en gestaag een losmakingsproces, dat uiteindelijk zal uitmondden in zelfstandigheid. Het hechtingsproces ontstaat door een leerproces van de baby die vrijwel meteen begint: een baby heeft basale onlustgevoelens als honger en dorst, die altijd worden bevredigd in aanwezigheid van één opvoeder. Dit patroon wordt veelvuldig aangeboden, waardoor de baby uiteindelijk de opvoeder gaat associëren met het bevredigen van onlustgevoelens (klassieke conditionering). De aanwezigheid van de opvoeder wordt als prettig ervaren door de baby, ook al zonder de bevrediging van behoeften als honger en dorst. Dit betekent overigens niet dat een ouder zijn kind alléén basale levensbehoeften als voedsel en drinken hoeft te geven, voor een veilige hechting. Harlow heeft in een expiriment met apen bewezen dat voor een veilige hechting ook genegenheid nodig is. Baby-aapjes werden opgevoed door kunstapen. Eén kunstaap was gemaakt van ijzer en deze zorgde voor melk, een andere kunstaap was gemaakt van een zachte stof. Als het baby-aapje zich bedreigd voelde rende het naar de aap met de zachte stof voor bescherming. De zachte stof symboliseerde in het experimant het lichamelijk contact, de warmte. Het gaat dus niet om de kwantiteit van de relatie, maar de kwaliteit.[1]
Hechting per leeftijdsfase:
Een baby van 0-3 maanden zoekt de baby naar vervulling van zijn behoeften, maar hij doet dit niet selectief.
Na 3 maanden begint de baby voorkeur te krijgen voor bepaalde personen en zoekt het selectief naar behoeftebevrediging; in plaats van instinctief reageren op mensen in de omgeving, reageert het selectief op de aanwezigheid van bepaalde personen.
Vanaf 5/6 maanden gaat de baby zich bewust hechten aan bepaalde personen, vaak komt één persoon centraal te staan (exclusieve hechting). Voor een goede hechting is het belangrijk dat er niet te veel wisselingen zijn in de verzorging van het kind, maar dat bepaalde personen regelmatig aanwezig zijn en voor het kind zorgen. Aanwezigheid en verzorging alléén is niet genoeg, de verzorgers van het kind moeten adequaat reageren op de behoeften van het kind, alleen dan kan het kind leren vertrouwen op zijn omgeving.
Rond de 7/8 maanden zie je vaak dat kinderen eenkennig beginnen te worden. Dat komt doordat het kind zich bewust is geworden van zichzelf en de opvoeder. Het contact met de opvoeder verloopt voor het kind op een prettige manier, altijd hetzelfde. Contact met andere personen wekt angst op, doordat het verschilt met het contact van de opvoeder. Eenkennigheid blijft niet lang bestaan, doordat het kind vaker contact krijgt met andere mensen en leert begrijpen dat de wereld niet meer alleen uit zichzelf en de opvoeder bestaat, maar uit nog meer mensen. Ook krijgt het kind mogelijkheden om bijvoorbeeld naar de opvoeder toe te lopen of vragen te stellen (‘wie is dat?').
Vanaf 9 maanden begint het kind te leren dat mensen en dingen blijven bestaan, ook al ziet hij ze niet (object-permanentie). Het kind gaat zoeken naar speelgoed, of naar zijn opvoeder. In deze leeftijd zie je bij kinderen vaak scheidingsangst. Spelletjes als kiekeboe en verstoppertje helpen het kind het vertrouwen te krijgen dat belangrijke personen weer terug komen. Alleen een kind dat zich veilig voelt, durft de omgeving te onderzoeken en zichzelf te ontplooiien. Het kind zal de nabijheid van zijn opvoeder zoeken, op zoek naar veiligheid. Afhankelijk van de situatie zal hij een stukje bij de opvoeder vandaan gaan, het kind weet dat het altijd op de opvoeder terug kan vallen. Deze aanhankelijkheid van een kind helpt het kind om zichzelf te ontplooiien naar zelfstandigheid. Een kind kan ook aanhankelijk zijn vanuit een gevoel van onzekerheid en onveiligheid. Als ouders niet het vertrouwen hebben gegeven beschikbaar te zijn als dat nodig is, kan een kind juist in de buurt van de ouder willen blijven, omdat zich daarbuiten al helemaal niet veilig voelt. Het kind blijft op deze manier van zijn ouders afhankelijk.
De kritieke fase van hechting is rond de 10 maanden voorbij, hoewel de hechting nog wel blijft toenemen. Kinderen kunnen tot anderhalf, twee jaar oud bang zijn gescheiden te worden van personen aan wie ze gehecht zijn (sommige kinderen ook tot 4 jaar). Daarna gaat het kind leren dat het contact zoeken niet alleen voor zichzelf is, maar ook voor het plezier van de persoon aan wie het gehecht is. Langzaam begint een proces naar zelfstandigheid. [2]
Basisvertrouwen
Een veelgebruikt woord in het kader van hechting is basisvertrouwen. Dit hangt samen met de aanhankelijkheid van een kind aan zijn opvoeder. Zoals gezegd kan aanhankelijkheid vanuit een gevoel van veiligheid komen, maar ook vanuit een gevoel van onveiligheid. Aanhankelijkheid vanuit zekerheid, helpt de zelfstandigheid bevorderen. Het kind durft steeds verder bij zijn opvoeder vandaan te gaan en deze zelfs uit het oog te verliezen, al zal het steeds even komen kijken of hij er nog is. Het kind durft op onderzoek uit te gaan, voorwerpen of zelfs andere mensen te bekijken, aan te raken, of er iets tegen te zeggen. Dit kan het kind alleen doen op basis van vertrouwen, dat de opvoeder altijd beschikbaar is om op terug te vallen. Het kind zal ook regelmatig even bang worden van de nieuwe dingen die hij ontdekt en terugrennen naar de opvoeder. Belangrijk in de ontwikkeling van basisvertrouwen zijn de momenten waarop het kind iets doet dat de opvoeder niet goed vindt. Het kind is motorisch in staat dingen te doen, waar hij verstandelijk nog niet van beseft dat ze bijvoorbeeld gevaarlijk of vervelend zijn. Hij is zo zeker van zijn opvoeder dat hij risico's durft te nemen en zijn opvoeder boos durft te maken. Daardoor zal het kind ook bang zijn, zijn opvoeder kwijt te raken, doordat hij met zijn gedrag die boosheid heeft uitgelokt. Het kind zal bijvoorbeeld ‘snachts testen of zijn opvoeder hem niet in de steek gelaten heeft door te roepen of uit bed te komen.[3],[4]
Definitie basisvertrouwen: ‘dat het kind door ervaringen van onvoorwaardelijke zorg en genegenheid van zijn ouders, het lef houdt om op eigen houtje dingen te ondernemen, ook als dat betekent dat hij tegen hun wil ingaat, zonder dat hij bang is hun liefde kwijt te raken.' (overgenomen uit: L. Rooijendijk, A. Dijt, G.J. Wijers, ‘De mens in thema's - een thematische behandeling van de menselijke levensloop', 1995, Uitgeverij Nelissen B.V., Baarn, pag. 20)
Een fundamentele relatiestoornis
Een hechtingsstoornis, wordt ook wel een fundamentele relatiestoornis genoemd of het geen-bodem-syndroom. Er is iets mis in het fundament (de bodem) van het contact tussen opvoeder en kind. Het kind kent geen menselijke betrokkenheid met de wereld en het kind kent de wereld niet als thuis (veilige haven). In de verschillende leeftijdsfasen van een kind heeft het behoefte aan een antwoord; aandacht, aanraking, oog voor de wensen en behoeften van het kind, enz. Als dit antwoord achterwege blijft in de eerste levensmaanden van het kind, ervaart het geen aansluiting, geen veiligheid, waardoor er geen basisvertrouwen ontstaat. Basisveiligheid of basisvertrouwen is het fundament, de bodem, waarop de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling gestoeld is.
Ik wil nog kort aanstippen dat hierboven een primaire fundamentele relatiestoornis is omschreven. Het is bekend dat kinderen die primair goed gehecht zijn (aan hun opvoeders), ook in een later stadium toch nog een fundamentele relatiestoornis kunnen ontwikkelen. Dit wordt een secundaire relatiestoornis genoemd en kan veroorzaakt worden doordat het kind op verstandelijk of sociaal gebied geen aansluiting vindt. Het kind ervaart bijvoorbeeld geen uitdaging in het leren op school, of er worden juist te veel eisen gesteld. Of het kind ervaart sociaal geen aansluiting met leeftijdsgenootjes. Het kind voelt zich dan niet op zijn plek, voelt zich verloren. Als hier geen aandacht voor is, kan het veilig gehechte kind alsnog ‘ontwortelen'. Gevoelens van angst en wantrouwen nemen de overhand, waardoor het kind alsnog een fundamentele relatiestoornis krijgt.
Hoe ontstaat een fundamentele relatiestoornis?
Er zijn verschillende factoren die tot hechtingsproblemen kunnen leiden:
Het kind: moeders kunnen na de bevalling signaleren dat er met het kind ‘iets mis is'. Het kind reageert niet op aanraking van de moeder, lijkt zich zelfs van moeder af te keren, het kind lijkt geen plezier te beleven, enz. Terecht geven moeders dit aan bij de huisarts of op het consultatiebureau, want er kan immers iets lichamelijks aan de hand zijn. Een veel voorkomende oorzaak is dat het kind pijn heeft en het zich daardoor niet laat knuffelen. Bij een moeizame bevalling kan bijvoorbeeld door verwringing in de nekwervels het kind pijn hebben. De genen bepalen in belangrijke mate het karakter van een kind. Er zijn kinderen bij wie het in de aard ligt om zich niet thuis te voelen, maar ook kinderen die zich in de meest onveilige situaties nog steeds veilig en thuis blijven voelen. Als ouder is het belangrijk om op dergelijke karakternuances in te spelen, het ene kind zal meer behoefte aan genegenheid hebben dan het andere. Ook is het belangrijk te beseffen dat het kind dat zich niet snel thuis voelt, op latere leeftijd waarschijnlijk ook meer moeite heeft om aansluiting te vinden en als het volwassen is ook meer moeite moet doen om contact met anderen te maken.
De zwangerschap: Steeds meer wordt erkent dat de betrokkenheid van de moeder op de foetus veel invloed heeft op het welbevinden en de ontwikkeling van de foetus. Bij emotionele spanningen van de moeder of het plegen of ondergaan van fysiek/verbaal geweld, wordt de veiligheid en het welbevinden van de foetus ondermijnd en groeit de angst. Het ervaren van veiligheid is een voorwaarde voor een goede licamelijke en emotionele ontwikkeling van de ongeboren baby.
De ouders: In sommige omstandigheden hebben ouders moeite om begrip en aandacht voor hun kind op te brengen. Bij langdurige relatieproblemen, lichamelijke ziekte van één van de ouders, verslaving, depressie of andere psychische problemen, kan het de ouders verhinderen er voldoende voor hun kind te zijn. Ook ouders die zélf vroeger onvoldoende liefde en genegenheid hebben ontvangen, kunnen het moeilijk vinden hun eigen kind liefde en genegenheid te geven.
De omgeving: Tenslotte kan de veiligheid van het kind verstoord worden door bijvoorbeeld een schokkende gebeurtenis in het gezin, een tijdelijke scheiding van de ouders door ziekenhuisopname, overlijden, enz.[5]
Pleegkinderen, adoptiekinderen of stiefkinderen
Hechting bij kinderen die in hun eerste levensjaar van opvoeders veranderen is weer een heel ander verhaal. Zelfs als een baby direct na de bevalling naar een nieuwe opvoeder gaat, is het kind toch eerst van een ander geweest. Aan de ene kant is er bij de ouders een bepaalde mate van terughoudendheid en onzekerheid over het kind dat niet ‘eigen' is. Aan de andere kant is er voor het kind sprake van een andere geur, een andere stem, een andere sfeer en soms zelfs een ander klimaat. Problemen bij het hechtingsproces zijn dan bijna niet te voorkomen. [6]
Soorten onveilige hechting en hun ontstaan:
Vermijdend gehecht: Wanneer ouders afwijzend reageren op het zoeken van toenadering van hun kind, kan het kind uiteindelijk het contact met de ouders vermijden, om te voorkomen dat het weer afgewezen wordt. Het kind zoekt geen toenadering en heeft weinig vertrouwen in andere mensen. Het kind komt in een isolement. De ouders zijn vaak zakelijk en reageren afwijzend op lichamelijk contact.
Ambivalent/Afwerend gehecht: Sommige ouders reageren vanuit hun eigen behoeften op het kind. Zij spelen met het kind als het eigenlijk moet slapen en als het kind toenadering zoekt reageren ze niet. Kinderen van deze ouders hangen vaak erg aan de ouders uit angst, omdat ze niet goed weten hoe de ouder nu weer gaat reageren. Ze gedragen zich overdreven (irritant) afhankelijk om reactie van hun ouders uit te lokken.
Gedesoriënteerd gehecht: Tenslotte zijn er nog ouders die door bijvoorbeeld psychische stoornissen, onverwerkte rouw of traumatische ervaringen heel verschillende signalen uitzenden naar hun kind. De ouder is onvoorspelbaar, is de ene keer lief voor het kind, de andere keer negeert hij het kind en weer een andere keer is hij extreem streng. Kinderen met zulke ouders reageren heel verschillend; de ene keer sterk vastklampend, de andere keer sterk afwijzend.[7]
Signalen
Ieder kind heeft een ander karakter en ieder kind heeft een andere levensgeschiedenis. Ieder kind zal dus ook anders reageren als er sprake is van hechtingsproblemen. Daarnaast reageert een kind van 2 ook nog eens heel anders dan een kind van 12. Ik noem een aantal kenmerken die specifiek passen bij kinderen met hechtingsproblemen, deze deel ik in naar leeftijd.
Babyleeftijd
Het is bij baby's lastig te zeggen of er sprake is van hechtingsproblemen, omdat de kenmerken die bij hechtingsproblemen passen ook door bijvoorbeeld een lichamelijke of geestelijke ziekte veroorzaakt kunnen worden:
Onrustig gedrag
Ontevreden
Veel huilen
Niet geknuffeld willen worden
Moeder niet willen aankijken
Niet aan moeders borst willen drinken
Verstijven als het wordt opgepakt
Peuters
Peuters kunnen op heel verschillende manieren hun gevoel van onveiligheid ‘compenseren, toch is het altijd een manier om zichzelf staande te kunnen houden in een onveilige omgeving. Drie zelfhandhanvingspatronen voor peuters:
De actieve peuter: de peuter lijkt zich niet te interesseren in de opvoeders, het lijkt alsof hij alles alleen kan en doet dat ook, het kind luistert niet, het kind vertoont ontzettend vasthoudend gedrag, enz.
De passieve peuter: lijkt alsof ze altijd tevreden zijn, ook als ze langdurig alleen worden gelaten, kan zichzelf uren alleen vermaken, kind vraagt geen aandacht, doet nooit iets verkeerd, laat van alles met zich doen zonder dat er echt intiem contact lijkt te zijn, het kind lijkt gevoelloos te zijn, enz.
De zich vastklampende peuter: kind klampt zich vast aan de moeder, is bang alleen gelaten te worden, de peuter wil voortdurend op schoot, handje vasthouden, enz. (N.B. baby's en peuters zijn bijzonder slim en kunnen dit gedrag óók manipulatief gebruiken om de opvoeder voor zichzelf te winnen)
Kleuter en schoolkind
Als een kleuter of een schoolkind niet veilig gehecht zijn, betekent dat, dat zij belangrijke aansluiting op lichamelijk en emotioneel gebied hebben gemist. Het kind mist de basis voor een goede verstandelijke aansluiting en dus ondervind het kind bijna altijd problemen in de cognitieve ontwikkeling. Het kind heeft al zijn energie nodig om zichzelf te handhaven. Zeven zelfhandhanvingspatronen van kleuters en schoolkinderen (die overigens in combinatie met elkaar kunnen voorkomen):
Het drukke, ongedurige, chaotische kind: behoeften moeten direct bevredigd worden, hij kan zich niet aan afspraken houden, het kind ervaart vaak zelf dat het hulpeloos is in een wereld vol onbegrip voor zijn gedrag.Het agressieve kind: dit kind lijkt op bovengenoemd kind, maar het heeft meer doorzettingsvermogen. Het kind dat geen antwoord vond bij zijn opvoeders, daagt de wereld uit om antwoord te geven op zijn behoeften. Het ontbreken van een passend antwoord, geeft steeds meer wantrouwen en steeds meer agressie en haat. Hij schreeuwt: ‘ik heb niemand nodig', de daarachter liggende angst en onveiligheid zijn vaak moeilijk zichtbaar.Het in schijn aangepaste kind: Het kind doet zijn uiterste best om geaccepteerd te worden. Het kind heeft niets eigens, doet anderen na, is lief en volgzaam, maakt met iedereen contact, maar genegenheid en wezenlijk intiem contact ontbreken.Het kind met twee gezichten: Dit kind leeft in twee werelden, het is thuis een ‘in schijn aangepast kind', maar buitenshuis kan het zich niet beheersen en niet met gevoelens van boosheid en angst omgaan. Andersom kan ook: buitenshuis volgzaam en aangepast en binnenshuis onhanteerbaar en agressief. Het kind ervaart thuis geen veiligheid en probeert dat buitenshuis te vinden.Het kind met een dubbele bodem: Het kind is positief betrokken bij de wereld en gedraagt zich positief, maar zoekt primair en kleinkinderlijk de lichamelijke aanraking van mensen in de omgeving. Wanneer de omgeving hierop ingaat is het kind onverzadigbaar. Soms komt het met leeftijdsgenootjes tot seksuele activiteiten.Het kind dat het laat afweten: Het kind trekt zichzelf terug, ontkent pogingen tot contact uit de omgeving, ontkent zelfs de eigen behoeften. Het kind voelt zich alleen en waardeloos en gebruikt al haar energie om positieve input te ontkennen en zich terug te trekken in haar isolement.Het schijnbaar normale kind: Dit kind heeft vaak talloze intellectuele mogelijkheden, waardoor de emotionele/sociale ontwikkeling naar de achtergrond verschuiven. Het kind heeft verstandelijk de wereld in zijn greep, onder controle. Problemen en verschillen van mening worden met het verstand opgelost. Sociale aansluiting is soms lastig, maar met andere ‘intellectuele' kinderen kan het goed samen.[8]Wat is er nodig om een kind te laten hechten dat niet gehecht is?
Een kind dat hechtingsproblemen heeft kan de hechtingsperiode van zijn baby-, peuter- of kleutertijd niet nog een keer over doen. Er wordt heel verschillend gedacht over de mogelijkheden tot herstel bij kinderen met hechtingsproblemen. De ene zegt dat het kind in het gezin met de juiste hulp op latere leeftijd nog tot hechting kan komen, de ander zegt dat ouders moeten accepteren dat hun kind zich nooit meer aan hen zal hechten. Hieronder staan de methodieken die er in de hulpverlening gebruikt worden bij kinderen met hechtings-problemen.
Begeleiding van kinderen met hechtingsproblemen
Methodieken
Dhr. G de Lange heeft een methode ontwikkeld genaamd ‘terug naar het begin' (Boek: ‘relatiegestoorde kinderen' van dhr. G de Lange). Hij zegt dat kinderen tot negen jaar het meest gebaat zijn bij een soort inhaalslag; de ouders moeten opnieuw beginnen met het kind. Dit doen zij door het kind voortdurend naar zich toe te halen en letterlijk in hun armen te sluiten. Het kind zal zich daar in eerste instantie waarschijnlijk tegen verzetten, maar als het kind ontdekt dat de ouder letterlijk en figuurlijk niet loslaat, leert het langzaam het basisvertrouwen ontwikkelen en krijgt het meer vertrouwen in zichzelf en de mensen om hem heen. Deze methode is erg intensief voor ouders en is alleen te doen met ondersteuning van hulpverlening. Na negenjarige leeftijd is het voor kinderen met hechtingsproblemen nauwelijks meer mogelijk om terug te gaan naar deze ‘peuterachtige betrokkenheid' zegt dhr. de Lange en deze kinderen zijn gebaat bij een sociogroepsopvoedingswijze. De bedoeling is om de jongeren een positieve betrokkenheid op elkaar te laten ontwikkelen d.m.v. het doen van achtiviteiten met elkaar. Hierdoor zou een wij-gevoel gecreëerd worden, wat een gevoel van veiligheid en vertrouwen geeft. Dit geeft de jongeren een aanzet zich te leren gedragen volgens de groepsnormen, zij zullen elkaar gaan corrigeren. De begeleider fungeert hierbij als een soort scheidsrechter.[9]
Anniek Thoomes-Vreugdenhill, in het verleden werkzaam geweest in een residentieel jeugdhuis, maakt onderscheid tussen hechtingsgestoorde en relatiegestoorde kinderen. Bij hechtingsgestoorde kinderen is de beschadiging in de hechting in een heel vroeg stadium opgetreden. Relatiegestoorde kinderen zijn wel gehecht, maar zijn teleurgesteld in de hechting; in het eerste, tweede of derde levensjaar is er een verstoring opgetreden in de hechtingsrelatie. Op basis van deze kennis biedt Thoomes-Vreugdenhill (2005) ook twee vormen van therapie: differentiatietherapie voor hechtingsgestoorde kinderen en fasetherapie voor relatiegestoorde kinderen. Bij de differentiatietherapie gaat zij er vanuit dat bij een normale hechting er vanuit de geborgenheid van de ouders een gevoel van veiligheid ontstaat met grenzen en structuur. Deze veiligheid biedt ruimte voor differentiatie met de buitenwereld. In de therapie werkt zij andersom: zij leert het kind te differentiëren op allerlei gebieden (bijvoorbeeld smaken in de mond). Het vermogen tot differentiëren biedt het kind de veiligheid om zich te durven hechten. Bij de Fasetherapie gaat Thoomes-Vreugdenhill in op het gedrag dat kinderen laten zien: nabijheid wensen of juist nabijheid weren. Elke vorm van hechting die de kinderen in de loop van hun leven laten zien is van belang voor het aangaan van intieme relaties in de volwassenheid. Door drie á vier keer in de week gedurende 10 minuten terug te gaan naar de fase waarin de verstoring plaatsvond en in de loop der tijd de daarop volgende fasen alsnog te doorlopen, wordt er gebouwd naar de normale relatievorm voor de leeftijd waarin het kind zich bevindt.[10]
Bij Video interactie begeleiding gaat het erom de ouders bewust te maken van hun eigen gezichtsuitdrukking, houding, stemgeluid en handelen naar het kind toe. Het is niet de bedoeling de ouders nadrukkelijk te wijzen op hetgeen zij fout doen, maar het is des te meer een doel de ouders te laten zien op welke momenten zij hun kind op een juiste manier benaderen en wat het effect daarvan is op het gedrag van hun kind. De contactmomenten met het kind zijn immers de basis waarop het kind vertrouwen kan ontwikkelen en zich veilig genoeg voelt om zich te kunnen hechten. Over het algemeen zijn vijf video-opnames en de daarbij horende begeleidingsgesprekken met de ouders voldoende om de ouders adequaat te leren in te spelen op de behoeften van hun kind[11]
Geertje van Egmond spreekt van het geen-bodem-syndroom in haar boek ‘Bodemloosbestaan, problemen met adoptiekinderen' (2001, Uitg. Ambo/Anthos Amsterdam). De kenmerken die zij noemt zijn:
Er is geen bodem in het bestaan (geen affectieve banden in de allereerste levensfase)
Er is geen lijn in het leven, daardoor weinig gevoel voor tijd en ruimte, de wereld blijft ongestructureerd. Er ontstaan hierdoor vaak specifieke leerproblemen: geen of weinig getalbegrip, niet kunnen abstraheren, slecht woordbeeld, leerstof beklijft niet.
De gewetensontwikkeling is niet opgang gekomen.
Er is geen ik, daarnaast geen basaal vertrouwen in volwassenen, met als gevolg onvermogen en / of diepgewortelde angst om relaties aan te gaan.
Er is een sterke neiging tot het leggen van oppervlakkige, inwisselbare contacten. Hierdoor is de problematiek van het gezin voor anderen slecht invoelbaar. Die anderen, inclusief hulpverleners, ‘zien' niets of weinig.
Het kind vertoont survivors gedrag. Schijnaanpassing. Het probeert zich staande te houden door de wereld om zich heen voortdurend onder controle te houden. Het is geniaal in het observeren, taxeren en manipuleren van de mensen om zich heen. Het besteedt hieraan een groot deel van zijn energie, waardoor bijvoorbeeld leerprestaties en creativiteit achterblijven.
De intieme emotionele banden binnen het gezin worden als bedreigend ervaren. Het appèl van de gezinsleden op een vertrouwensrelatie is voor het kind slecht invoelbaar en verwarrend. Het geeft het kind soms ook een gevoel van anders-zijn, tekortschieten en eenzaamheid.
Het vroegste ervaren - misschien reeds voor de geboorte - van ‘ontkend', ‘niet gewenst', ‘afgewezen' en ‘weggedaan' te zijn, is onvoorstelbaar vernietigend. De basale pijn zoekt vaak een uitweg in vernietigingsdrang die zich richt tegen zichzelf (automutilatie), maar vaak ook tegen anderen (moeder). Andere bekende uitingen van agressie zijn fysiek geweld, uitingen van wreedheid jegens dieren, (dwangmatig) vreten, stelen, vernielen, slapeloosheid, provocerend seksueel gedrag en weglopen.
Meestal ziet men een onverzadigbare honger naar aandacht.
Bij zijn handelen gaat het kind meestal te werk volgens het lustprincipe, het heeft nauwelijks ‘remmen' en ‘drempels'.
Uitingen van het geen-bodem syndroom zijn niet of nauwelijks gebonden aan bepaalde landen van herkomst, leeftijd, huidkleur, culturele achtergrond, enz.
Het geen-bodem-syndroom is geen wetenschappelijke term. Het wordt veel gebruikt door ouder-verenigingen zoals ‘De Knoop'. De term doet suggereren dat het kind een bodemloos vat is waarin je kan blijven investeren, zonder dat je er ooit iets voor terug zal ontvangen. Er is dus ook geen therapie waarmee je ‘dat vat' kan dichten. De hulpverlening volgens Geertje van Egmond bestaat uit structuur en emotionele distantie. Het kind kan het hechtingsproces niet over doen en de ouders moeten leren om hun verwachtingen t.a.v. een wederkerige relatie met hun kind definitief los te laten. Een functionele relatie zonder emotionele lading is de enige manier om als ouder een band met het kind te behouden.[12]
Attitude als hulpverlener in de begeleiding van het kind en zijn ouders
Een belangrijk aandachtspunt als hulpverlener ligt hem in de omgang met de ouders. Het is een valkuil om de ouders als veroorzaker van de hechtingsproblematiek te bestempelen en te denken dat je als hulpverlener beter weet wat goed is voor het kind. Deze ouders voelen zich ook verantwoordelijk voor hun kind, zijn bezorgd om hun kind en betrokken bij hun kind. De ouders zijn hoe dan ook ervaringsdeskundigen en kunnen en willen meedenken in de behandeling van hun kind. Een intense betrokkenheid van de ouders bij de hulpverlening van hun kind is daarentegen een vereiste, omdat de band tussen ouders en het kind dikwijls beschadigd is. Als hulpverlener moet je daar niet tussenin gaan staan, dat geeft het kind de ruimte om de ouders tegen elkaar uit te spelen en zorgt voor meer en meer wederzijds onbegrip. Het contact tussen hulpverlening en de ouders moet dus getuigen van wederzijds respect, openheid en eerlijkheid om samenwerking mogelijk te maken.[13]
Als hulpverlener moet je er bewust van zijn dat het gewenst is dat het kind zich gaat hechten aan de ouders en/of leeftijdsgenootjes en dat het niet gewenst is dat het kind zich aan jou als hulpverlener gaat hechten. Jij als hulpverlener gaat weer weg en er komt weer iemand anders voor je in de plaats. Vooral bij wat oudere kinderen die misschien niet meer teruggaan naar hun ouders is het belangrijk om als dat mogelijk is te werken aan de relatie tussen de ouder en het kind.
Een band ontwikkelen met een kind met een hechtingsstoornis is dus niet de focus van de hulpverlener. Eerder is het belangrijk om het kind veiligheid te bieden en structuur. Als hulpverlener moet je dus grenzen aan kunnen geven, een duidelijk en gestructureerd dagprogramma. Binnen die kaders krijgt het kind de ruimte om zich te ontwikkelen, zich veilig te voelen en hopelijk ook te hechten aan belangrijke personen (bij kleine kinderen hun opvoeders en bij wat oudere kinderen de groepsgenootjes/vrienden).
De casus: Mark, Eva & Marvin
Drie heel verschillende kinderen komen er in de casus naar voren en dus drie heel verschillende manieren van omgang.
Voor Eva is het belangrijk dat de begeleidster duidelijk grenzen neerzet wanneer zij alleen moet spelen en wanneer zij aandacht krijgt. In de casus is te zien dat Eva zich heftig verzet als de begeleidster probeert weg te gaan, zij schopt zelfs tegen de begeleidster aan. Toch moet Eva leren dat zij op sommige momenten alleen gelaten wordt en ervaren dat de begeleidster/ouder altijd terug komt en op gezette tijden aandacht aan haar geeft. Dit kan zij alleen leren door een duidelijke structuur. In het begin kan de begeleidster bijvoorbeeld enkele minuten weggaan en dit langzaam opbouwen tot langere periodes.
Voor Mark is structuur ook belangrijk, maar is het ook belangrijk om op sommige momenten contact te maken. Als je als begeleidster iets vraagt is het belangrijk om zijn naam te noemen, te vragen of hij je aankijkt of naar je toe komt lopen en pas daarna je vraag stelt of je statement maakt. Verder is ook voor hem die structuur zo belangrijk: jij gaat nu deze video kijken totdat ik jou roep om wat te drinken. Door ervaren dat je als begeleider je aan de afspraken houdt en dat er ook daadwerkelijk gebeurd wat er is afgesproken of wat op het programma staat, creëer je een veilige omgeving voor Mark (en Eva). Dit is een basis waarop vertrouwen kan ontwikkelen.
Tenslotte Marvin. Marvin is ouder en al veel langer gewend om zich te gedragen zoals hij doet. Hij ontwijkt contact en zet zich af tegen contact. Dit gedrag is een patroon bij Marvin wat al jaren bestaat. Als hulpverlener moet je beseffen dat Marvin nooit geleerd heeft intiem contact te maken en door jarenlange negatieve ervaringen van hulpverleners die komen en gaan is dat patroon bevestigd. Het zal dus ook flink wat tijd kosten om Marvin positieve ervaringen te laten opdoen met het maken van contact en uiteindelijk een nieuw gedragspatroon aan te leren. Ik denk dat je van Marvin niet kan verwachten dat hij direct luistert naar de begeleiders. Marvin zegt ook dat de begeleiders toch niets om hem geven, toch weer weggaan, dat klopt ook bij de ervaringen die hij heeft opgedaan. Het is dus in eerste instantie (net als hiervoor) ook weer belangrijk om de focus van dat contact af te halen, en je als hulpverlener te richten op een gestructureerde, begrensde omgeving die hopelijk op den duur veiligheid voor Marvin gaat betekenen. Wél is het belangrijk om als hulpverlener de omgang met elkaar als groepsgenootjes te stimuleren; door het samen ondernemen van activiteiten kan er een wij-gevoel ontstaan; een belangrijke start bij het ontwikkelen van een onderlinge vertrouwensband. Bijvoorbeeld door in teamverband een spel te spelen of andere activiteiten waarin samenwerking centraal staat. Door samen successen te boeken, ontstaat er een band tussen de kinderen onderling.
Betekenis voor mijn handelen als sociaal pedagogisch hulpverlener
Belangrijk in de hulpverlening aan kinderen met een hechtingsstoornis is de verwachtingen die je hebt van het kind. Ik kan en mag niet verwachten dat het kind binnen korte termijn een vertrouwensband met mij als hulpverlener kan aangaan op de manier zoals andere kinderen dat misschien wel kunnen. Dat lijkt me best lastig omdat je uiteindelijk wél als doel hebt dat het kind zich kan hechten aan belangrijke personen in zijn omgeving. Maar omdat juist dáár enorm veel spanning en angst zit van het kind, is het belangrijk om mij als hulpverlener te richten op het kind een zo veilig mogelijke omgeving te bieden, waarin het zich kan ontwikkelen.
Iets anders wat me enorm lastig lijkt is het contact met de ouders. Als hulpverlener heb ik de belangrijke taak om de band tussen de ouders en het kind te versterken waar dat mogelijk is. Toch is daar waarschijnlijk in het verleden ook veel mis gegaan. Hoe kan ik de ouders bewust maken van hun eigen houding en handelen tegenover hun kind, zonder hen daarbij te beschuldigen of veroordelen? Zij kennen het kind immers al zolang! Video interactie begeleiding lijkt mij dan een prettige methode om op een positieve manier naar de ouders en het kind te kijken en langzaam een bewustwordingsproces bij de ouders te beginnen. Hieronder vertel ik nog wat over mijn mening van VIB en de andere therapiën die ik beschreven heb in dit werkstuk.
Mijn mening over de verschillende therapieën
Persoonlijk spreekt mij de video interactie begeleiding het meest aan, omdat deze heel veel aandacht geeft aan het herstellen van de relatie tussen de ouders en het kind. Helaas begrijp ik ook dat dat niet altijd mogelijk is door omstandigheden, of door de oudere leeftijd van het kind. De voorkeur gaat bij mij dan uit naar de differentiatietherapie en de fasetherapie. Zoals ik hierboven ook al beschreef bij het omgaan met de kinderen uit de casus, denk ik dat je inderdaad de voorwaarden voor hechting moet creëeren. Thoomes-Vreugdenhill heeft het over de kinderen leren differentiëren en de kinderen laten teruggaan naar de leeftijdsfase waarin het is mis gegaan. Hoe dat dan precies gaat blijft voor mij nog onduidelijk. Ikzelf denk dat het belangrijk is om de kinderen positieve ervaringen te laten opdoen met het exploreren van de wereld en inderdaad heel klein te beginnen, bij ervaringen die kinderen heel jong opdoen: ervaren van sensaties, smaken, enz. Op deze manier leren zij dat ervaringen opdoen leuk is en een prettig gevoel geeft en op die manier ontstaat een belangrijke basis voor vertrouwen in de omgeving. Daarbij wil ik benadrukken dat in mijn ogen de veelgenoemde structuur erg belangrijk is voor kinderen die in de basis angstig zijn en een onveilig gevoel hebben.
De andere therapiën vindt ik wat onnatuurlijk overkomen. Vooral de benaming geen-bodem-syndroom en de daarbij horende emotionele distantie die ouders moeten opbrengen tegenover hun kind vind ik erg onnatuurlijk, voor de ouders, maar ook voor het kind. Het kind leert dat het inderdaad niet van de ouders op aan kan en wordt daarin nog eens extra bevestigd.
Verder heb ik nagedacht over de therapie van G. de Lange, waarin de ouders hun kind moeten vasthouden in hun armen en liefdevol toespreken, hoewel het kind zich ertegen verzet. Ik ben erg nieuwschierig naar de resultaten van deze therapie, die mij erg intensief lijkt voor zowel de ouders als het kind. Een mooie gedachte dat het kind uiteindelijk leert dat de ouder hem niet meer zal loslaten en er een band kan ontstaan. Maar wat het bij de ouders losmaakt? Ik heb er een gedicht van gemaakt:
Gedicht van S. Postma
Ik wil je koesteren
Dicht bij me houden
Jij wilt ver bij mij vandaan
Ik houdt je stevig vast
En jij verzet je
Ik schreeuw het uit:
Wat heb ik jou misdaan?
Je schopt en slaat me
Je schreeuwt het uit
Mijn hart doet pijn
Ik houdt mijn woede binnen
Terwijl ik zachtjes spreek:
‘Ik heb je lief, mijn kind'
Ik wil jou moeder zijn!
Bronnenlijst
Boeken
L. Rooijendijk, A. Dijt, G.J. Wijers, ‘De mens in thema's - een thematische behandeling van de menselijke levensloop', 1995, Uitgeverij Nelissen B.V., Baarn.
J.D. van der Ploeg, ‘gedragsproblemen, ontwikkelingen en risico's', 2003, Uitgeverij: Lemniscaat b.v., Rotterdam.
Tijdschrift
D. Jacobs, ‘Hechting en hechtingsstoornissen', Tokk, jaargang 27, nummer 1, maart 2002.
Internet
www.opvoedingsadvies.nl/hechting.htm, 20-5-2006
http://klimop.penninga.com/, 20-5-2006
http://www.deknoop.org/documenten/opdracht.pdf, 20-5-2005
www.deknoop.org, 21-5-2006
http://www.deknoop.org/documenten/zoeken_naar_het_begin.pdf, 21-5-2006
www.basictrust.com, 21-5-2006
--------------------------------------------------------------------------------
[1] L. Rooijendijk, A. Dijt, G.J. Wijers, ‘De mens in thema's - een thematische behandeling van de menselijke levensloop', 1995, Uitgeverij Nelissen B.V., Baarn, pag. 17, 18
[2] www.opvoedingsadvies.nl/hechting.htm, 20-5-2006
[3] L. Rooijendijk, A. Dijt, G.J. Wijers, ‘De mens in thema's - een thematische behandeling van de menselijke levensloop', 1995, Uitgeverij Nelissen B.V., Baarn, pag. 19,20
[4] J.D. van der Ploeg, ‘gedragsproblemen, ontwikkelingen en risico's', 2003, Uitgeverij: Lemniscaat b.v., Rotterdam, pag. 257 en 305
[5] D. Jacobs, ‘Hechting en hechtingsstoornissen', Tokk, jaargang 27, nummer. 1, maart 2002, pag. 2-15
[6] http://klimop.penninga.com/, 20-5-2006
[7] http://www.opvoedadvies.nl/hechting.htm & http://www.deknoop.org/documenten/opdracht.pdf, 20-5-2006
[8] http://klimop.penninga.com/, 20-5-2006
[9] http://klimop.penninga.com/, 21-5-2006
[10] http://www.deknoop.org/documenten/zoeken_naar_het_begin.pdf, 21-5-2006
[11] www.basictrust.com, (bodemloos?? - artikel), 21-5-2006
[12] www.deknoop.org, http://www.deknoop.org/documenten/opdracht.pdf, www.basictrust.com, (bodemloos?? - artikel), 21-5-2006
[13] http://www.deknoop.org/documenten/opdracht.pdf, 21-5-2006
Reacties
Reactie plaatsen
Logt u a.u.b. in om een reactie te plaatsen.
Waardering
Waardering is alleen beschikbaar voor leden.
Logt u a.u.b. in om te stemmen.
Logt u a.u.b. in om te stemmen.
Er zijn nog geen waarderingen gegeven.


